Doel en onderzoeksvraag

Doel is te onderzoeken of het leereffect bij studenten in de BPV periode kan worden versterkt door het gebruik van een alternatieve voortgangsmeting.

De onderzoeksvraag is: "Geeft een kennisproductiviteitmeting in de beroepspraktijkvorming een valide beeld van de performance van een student? Helpen de feedback en feed-forward opbrengsten om de leervraag van de student te articuleren?"


Het onderzoek naar de kennisproductiviteit in praktijkleren zal worden uitgevoerd in twee verschillende situaties. Onderzoekcontext 1: een veldonderzoek bij een bedrijfsopleidingsgroep in de detailhandel. Onderzoekcontext 2: focusgroep onderzoek met praktijkopleiders en docenten.



Figuur 1. Collage van zelfportretten Vincent vn Gogh



Kennisproductiviteit onderzoeksplan


Onderzoek naar de effecten van een kennisproductiviteitsmeting bij werkplekleren in de BBL


















Inhoudsopgave

1 Onderzoeksperspectief 2

1.1 Auteurs’ perspectieven. 2

1.2 Dilemma’s en verantwoording. 2

1.3 Betrouwbaarheid en validiteit 2

1.3.1 Interventie onderzoek (ε) 2

1.3.2 Evaluatieonderzoek (ω) 2

2 Onderzoeksontwerp. 2

Onderzoek deelvraag 1: 2

Onderzoek deelvraag 2. 2

Onderzoek deelvraag 3. 2

Onderzoek deelvraag 4. 2

Onderzoek deelvraag 5. 2

Onderzoek deelvraag 6. 2

Onderzoek deelvraag 7. 2

3 Onderzoeksinstrumenten en verantwoording. 2

4 Onderzoeksgroep. 2

5 Procedure(s) 2

6 Data-analyse: 2

6.1 Interventie onderzoek (ε) 2

6.2 Evaluatieonderzoek (ω) 2

7 Bijlagen. 2

8 Bronnen. 2

9 Referenties 2


1 Onderzoeksperspectief

Dit kwalitatieve onderzoek wordt uitgevoerd vanuit een empirisch analytisch perspectief. De overige wetenschapsstromingen die door Baarda (2005) worden onderscheiden zijn de interpretatieve stroming en de maatschappijkritische stroming. Deze laatste stroming kent vele kenmerken die ten grondslag liggen aan de wens van de auteur, echter voor een meer objectieve grondslag is gekozen om de vele rollen die de auteur al heeft in dit proces te trachten zoveel mogelijk te splitsen om belangenverstrengeling en halo effecten zoveel als mogelijk uit te sluiten.

1.1 Auteurs’ perspectieven

De rol die de auteur inneemt in dit proces is die van onderzoeker, ontwerper en veranderaar.

Rol als onderzoeker. Doordat ontwerp en verandering hand in hand gaan heb ik bewust gekozen om het onderzoeksdeel voor een belangrijk deel uit het project te halen en onderdeel te laten worden van een mastertraject bij de HvA. Tevens hebben wij als ROC van Twente het gemak van een lectoraat binnen handbereik te hebben. Ondersteuning vanuit dit lectoraat “onderwijs-arrangementen” krijg ik in de vorm van adviezen van de heer Dr. Paulo Moekotte.

Rol als ontwerper. De auteur is initiatiefnemer bij het zoeken naar een formatief meetinstrument gebaseerd op kennisproductiviteit in het project ROC4NL. In het startjaar van het project is een rolverdeling voor de deelnemers aan het einde van het eerste jaar (2014) aan de orde. Het voorstel wordt aanvaard om te komen tot een meting van de leeropbrengst en die opbrengst uit te drukken in enerzijds kennis, anderzijds productiviteit. Ondersteuning bij deze rol wordt gegeven door collega’s in het project van de ROC van Amsterdam en Noorderpoort. Daarnaast is er de verbinding met het instituut Plato (universiteit van Leiden) waarbij we met dit projectonderdeel mogen rekenen op de input van de heer Dr. Jaap van Lakerveld.

Rol als veranderaar. In het ROC4NL project is het de ambitie om niet op te leiden volgens een curriculum met als basis een kwalificatiedossier maar volgens een corporate curriculum. Ten grondslag hieraan ligt de opdracht vanuit de bestuurders om meer maatwerk te bieden. De meest verfijnde vorm van maatwerk in een leertraject is een individuele route toegespitst op de eigen werkplek. Met dit uitgangspunt in gedachten is het aan de orde om bij een specifiek maatwerk in de opleiding ook een specifieke voortgangsmeting te doen om daarmee de opleidingseffecten goed in beeld te kunnen brengen. Ondersteuning bij deze rol komt van de projectdeelnemers vanuit de vier ROC’ s.

1.2 Dilemma’s en verantwoording

De zes dilemma’s (Aken & Andriessen, 2011; Stam, 2007) ten aanzien van de uitvoering van dit onderzoek worden nader uitgewerkt hieronder.

Dilemma 1: Objectieve houding ten aanzien van het ontwerp, overtuigd zijn van de ontwikkelde oplossing.

Dit is een lastige, zoals iedere ontwerper ben ik ook trots op mijn ontwerp. Sinds 2009 ben ik overtuigd van de positieve effecten van kennisproductiviteit dus er is ook het geloof en de overtuiging dat het goed is. Hoe is dan de objectiviteit te borgen ten aanzien van de echte impact van de interventie en dat niet de conclusies worden genoteerd zoals de auteur deze het liefst ziet. Ten eerste is er het transparantiebeginsel dat de auteur zal respecteren. Alle data zal in ruwe vorm beschikbaar zijn zodat interpretaties door lezers mogelijk zal worden. Met name de interview formulieren zullen een belangrijke bron zijn. Deze formulieren worden door respondenten zelf ingevuld, handschrift, penstreek en inkt zullen bijdragen tot authentiek materiaal en daardoor zijn interpretatiemissers te herleiden door derden. Ten tweede is er het onderzoeksbeginsel het empirisch analytisch uitgangspunt. Dit uitgangspunt dwingt de auteur tot het nemen van afstand tot het onderwerp tijdens het onderzoek.

Dilemma 2: Relatie tot de onderzoekscasus, afstandelijk als onderzoeker <> betrokken als veranderaar.

De wens voor verbetering komt vanuit de auteur zelf. Wanneer de interventie niet het beoogde effect zal hebben en er geen verbetering optreedt dan is de auteur zelf ook de eerste die met een nieuw ontwerp geen verschil in de praktijk zal merken, waarom dan invoeren?

Dilemma 3: Tijd voor onderzoek in de kennisstroom versus tijd voor implementatie in de praktijkstroom.

Dit dilemma lijkt groot, toch is er juist in de vooronderzoeksfase al veel tijd in de praktijkstroom gaan zitten. De auteur heeft heel bewust dit onderwerp en dit onderzoek ingebracht als verlengstuk van een landelijk project dat in 2013 is gestart. Het empirisch vooronderzoek heeft gezorgd voor data en resultaten die hebben geleid tot de wetenschapsvraagstelling. Ook enkele voorlopige instrumenten zijn al getest in het project. Mede hierdoor is de kennisstroom en praktijkstroom goed in balans.

Dilemma 4: voordeel voor onderzoek / onderzoeker versus voordeel voor casus probleemeigenaar.

Het voordeel voor de probleemeigenaar ten opzichte van de onderzoeker is dat de probleemeigenaar een alternatief heeft. Zonder de interventie van de onderzoeker zal de wereld gewoon doordraaien. Met een geslaagde interventie, een werkzaam alternatief, kan het praktijkleren wel verbeterd worden. Het verbetert inzicht bij stakeholders en geeft een eerlijker waardering voor het uitvoeren van beroepstaken. Dit onderzoek staat niet onder druk vanwege naadzakelijk te behalen resultaten. De probleemeigenaren hebben niet de suggestie gegeven om de bestaande praktijk te onderzoeken. Het onderzoek is geïnitieerd op basis van onvrede over slecht te definiëren aspecten van het praktijkopleiden. In retroperspectief zal dan ook worden nagegaan of de interventie KPM een verbetering ten aanzien van de bestaande methode(n).

Dilemma 5: kennisstroom is rationeel en solitair proces versus praktijkstroom, politiek proces en groepsdynamiek.

In eerste instantie is het moeilijk te bevatten waarom bovenstaande een dilemma is. In auteurs’ perspectief lijkt het meer een gegeven. Kennisstroom als rationeel en solitair proces is door de auteur op drie manieren geadresseerd. Ten eerste de leergang PM zorgt met de leergroepen voor een leercultuur waardoor het onderwerp regelmatig wordt getoetst bij studiegenoten. Ten tweede is het onderwerp onderdeel van het project ROC4NL, door regelmatig het onderwerp te bespreken en ook de nieuwste inzichten ter tafel te brengen zorgen andere opvattingen en inbreng een verrijkte kijk op het thema. Ten derde is er de collegiale feedback op de werkplek van de auteur, omdat de interventie onderdeel uitmaakt van het curriculum van een opleiding is er noodzakelijk communicatie tussen collega’s over de uitvoering. Door deze drie inbeddingen is er duidelijk collectieve inbreng in de kennisstroom. De praktijkstroom als politiek en groepsdynamisch proces. Er bewust gekozen om geen laboratoriumexperiment te doen maar juist een praktijkinterventie te plegen dus is er inderdaad sprake van politiek en groepsdynamiek. Om de effecten van het politieke en groepsdynamische te adresseren is de auteur als volgt te werk gegaan. Het uitvoerig infomeren van leidinggevenden op het eigen instituut. Meenemen van collega’s in de aard en het onderwerp van het onderzoek. Het gezamenlijk selecteren van de klassen, bedrijfsgroepen. Door deze aanvliegroute is getracht een zo gunstig mogelijk klimaat te scheppen van vertrouwen.

Dilemma 6: tegenstelling tussen participeren en observeren.

Om dit dilemma te adresseren, juist omdat deze twee componenten in dit onderzoek zitten is er sprake van een potentieel probleem. Hierop zal de onderzoeker zorgvuldig zijn in het bepalen van zijn positie en daarop uitgebreid reflecteren.



1.3 Betrouwbaarheid en validiteit

Twee onderzoeken in één verslaglegging. De KPM meting als interventie is een onderzoek waarbij het onderzoek wordt uitgevoerd door praktijkopleiders op de doelgroep studenten. Deze effectmeting is een onderzoek met als onderzoeksdoelgroep de praktijkopleiders met de auteur als onderzoeker. Deze constructie lijkt als geheel een beetje op het Droste chocoladeblik: effect van onderzoek in onderzoek. Van belang is om door de terminologie niet in verwarring te raken. Om duidelijke te maken over welk onderzoek geschreven wordt definieer ik het KPM onderzoek, uitgevoerd door de praktijkopleiders als “het interventie-onderzoek” aan te duiden met de kleine Griekse letter ε (e-psilon). Het onderzoek naar de effecten van de KPM interventie, uitgevoerd door de auteur, noem ik “het evaluatieonderzoek” aan te duiden met de kleine Griekse letter ω (o-mega).

1.3.1 Interventie onderzoek (ε)

Het KPM meetinstrument zal op betrouwbaarheid en validiteit getoetst worden door de uitkomsten en patronen en analyse van uitkomsten door de stakeholders te laten onderschrijven. De mate waarin de stakeholders dit doen is dan een maat voor de validiteit van de KPM-methode (Smit & Verdonschot, 2010). De betrouwbaarheid van de interventie wordt door het evaluatieonderzoek vastgesteld door de stakeholders te laten evalueren of datgene wat nu eigenlijk gemeten en beoordeeld is ook bedoeld is als meting en beoordeling. De betrouwbaarheid van de KPM meting zal worden beoordeeld door een focusgroep onderzoek. Door verschillende praktijkopleiders drie identieke situaties te laten beoordelen kan onderzocht worden in welke mate sprake is van betrouwbaarheid: zal de focusgroep bijvoorbeeld verschillende beoordelingen geven aan identieke situaties dan is dat een maat die aangeeft dat de betrouwbaarheid niet zo hoog is.

1.3.2 Evaluatieonderzoek (ω)

Over de effecten van de kennisproductiviteitsmeting zal getracht worden middels de effectladder (Aken & Andriessen, 2011) iets te zeggen over de validiteit. De effectladder kent vier niveaus van validiteit te weten descriptief, theoretisch, indicatief en causaal.

Niveau 1: Om te beoordelen of het evaluatieonderzoek descriptief valide is zullen de uitkomsten van de KPM interventie worden beoordeeld op randvoorwaarden, duidelijk- en begrijpelijkheid. Deze oordeelsvorming komt van de onderzoeker alsmede van de stakeholders.

Niveau 2: Om te beoordelen of het evaluatieonderzoek theoretisch valide is zal de evaluatie kennisontlokkende open vragen hebben, de stakeholders kunnen daarmee aantonen of één en ander goed theoretisch is onderbouwd.

Niveau 3: Om te beoordelen of het evaluatieonderzoek indicatief valide is zal met de evaluatie het KPM instrument worden beoordeeld op het behalen van de gestelde doelen of er een verbetering is bereikt ten aanzien van de huidige methode en of de stakeholders tevreden zijn.

Niveau 4: Om te kunnen beoordelen of het evaluatieonderzoek causaal is, is het nodig dat het onderzoek herhaald wordt en het aantal gevalstudies toeneemt. Binnen de grenzen van dit onderzoek zal dit niet mogelijk zijn, dit onderzoek beperkt zicht tot één enkele gevalstudie.


De betrouwbaarheid van het evaluatieonderzoek zal worden beoordeeld op basis van de Cronbach’s Alpha. Omdat het evaluatieonderzoek voor een belangrijk deel is opgebouwd uit schaalvragen lijkt dit de aangewezen methode (Aken & Andriessen, 2011. p146).




Figuur 2 Cronbachs Alpha

2 Onderzoeksontwerp

Geeft een kennisproductiviteitmeting ingezet in de beroepspraktijkvorming een valide beeld van de performance van een student? En helpen de feedback en feed-forward opbrengsten, om de leervraag van de student te articuleren. Het ontwerp van de kennisproductiviteitsmeetmethode is experimenteel. Onderzoeksdeelvragen zijn:

1. Kunnen de direct betrokkenen bij de KP meting (betrokkenen= praktijkopleider en student) zelfstandig leervragen of de leerroute articuleren?

2. Geeft de uitkomst van de meting aan de praktijkopleider voldoende data om concrete feedback te geven aan student?

3. Geeft de uitkomst van de meting aan de praktijkopleider voldoende data om concrete food-forward te geven aan de student?

4. Geeft de uitkomst van de meting een valide waardering voor de student?

5. Is de KP methode en een betrouwbare meting?

6. Geeft de uitkomst van de meting aanleiding tot concrete dialoog over het werk en de prestaties in het werk?

7. Hebben de student, praktijkopleider en docent een gelijk beeld over de leerdoelen naar aanleiding van de meetresultaten?

Het onderzoek naar de kennisproductiviteit in praktijkleren zal worden uitgevoerd in twee verschillende situaties.


Onderzoekcontext 1

Veldonderzoek bij de bedrijfsopleidingsgroep Schuurman. Context beschrijving: de studenten van de betreffende bedrijfsgroep krijgen in het keuzedeel Ondernemend Gedrag K0072 een bedrijfsopdracht ter stimulering van het financiële inzicht van de studenten. Deze bedrijfsopdracht is een prioriteit in de beroepstaken van de functie de studenten mogelijk later gaan bekleden. De taak bestaat uit het opstellen van een omzetprognose en een personeelsplanning. De opdrachtgever van deze opdracht zal als praktijkopleider ook de uitwerkingen van de studenten gaan beoordelen. Als beoordelingsinstrument wordt daarbij gebruik gemaakt van het KPM instrument.


Onderzoekcontext 2

Focusgroep onderzoek waarbij de te onderzoeken doelgroep bestaat uit praktijkopleiders en docenten. De onderzoeksgroep krijgt een drietal filmpjes te zien waarin ze beginnende beroepsbeoefenaren aan het werk zien. De filmpjes laten concrete werksituaties zien waar de professional een specifieke beroepstaak demonstreert. Vooraf aan de filmpjes krijgt de doelgroep een leer-werkopdracht waarin staat wat de personen in de filmpjes hebben geleerd en wat er van ze wordt verwacht bij het uitvoeren van de beroepstaak. Na ieder filmpje wordt de doelgroep gevraagd de professional in de film te beoordelen aan de hand van de KPM methode.

De verschillende onderzoek deelvragen worden met verschillende onderzoeksinstrumenten benaderd in een tweetal verschillende contexten van onderzoek.


Onderzoek deelvraag 1:

Kunnen de direct betrokkenen bij de KP meting (betrokkenen = praktijkopleider en student) zelfstandig leervragen of de leerroute articuleren?

Onderzoek context 1, veldexepriment bij Schuurman.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders en studenten

Onderzoeksmethode A: observatie: tijdens een CGI[1] zal het beroepsproduct van de student worden beoordeeld met behulp van de KPM methode. Het beoordelingsformulier is zo opgesteld dat deze zelfstandig met enige uitleg kan worden ingevuld door de praktijkopleider / beoordelaar. Het resultaat van die invulling zal worden geëvalueerd voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag. Door middel van een resultaten analyse vragen lijst (bijlage 4) zal de betreffende praktijkopleider gevraagd worden naar de herkenning acceptatie van de waardering van de individuele student.

Onderzoeksmethode B: Als controle op bovenstaande methode zullen na afloop van het CGI de studenten en de praktijkopleider een vragenlijst krijgen waarbij de eerste vraag gaat of de leervragen of de leerroute goed is omschreven voor deze student. (KPM evaluatievragenlijst bijlage 6)


Onderzoek deelvraag 2.

Geeft de uitkomst van de meting aan de praktijkopleider voldoende data om concrete feedback te geven aan student?

Onderzoek context 1, veldexperiment bij Schuurman.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders en studenten

Onderzoeksmethoden:

A: Observatie. Tijdens het CGI zal het beroepsproduct van de student worden beoordeeld met behulp van de KPM methode. Het beoordelingsformulier is zo opgesteld dat deze zelfstandig met enige uitleg kan worden ingevuld door de praktijkopleider / beoordelaar. Het resultaat van die invulling zal worden geëvalueerd voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag. (zie bijlage 2)

B: Als controle op bovenstaande methode zullen na afloop van het CGI de studenten en de praktijkopleider een vragenlijst krijgen waarbij de tweede vraag gaat of er voldoende en concrete feedback is gegeven op het beroepsproduct en de beroepshandelingen voor deze student. (KPM evaluatie vragenlijst, bijlage 6)

Onderzoek deelvraag 3.

Geeft de uitkomst van de meting aan de praktijkopleider voldoende data om concrete food-forward te geven aan de student?

Onderzoek context 1, veldexperiment bij Schuurman.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders en studenten

Onderzoeksmethode:

A: Observatie. Tijdens het CGI zal het beroepsproduct van de student worden beoordeeld met behulp van de KPM methode. Het beoordelingsformulier is zo opgesteld dat deze zelfstandig met enige uitleg kan worden ingevuld door de praktijkopleider / beoordelaar. Het resultaat van die invulling zal worden geëvalueerd voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag.

B: Als controle op bovenstaande methode zullen na afloop van het CGI de studenten en de praktijkopleider een vragenlijst krijgen waarbij de tweede vraag gaat of er voldoende en concrete aanwijzingen zijn gegeven waardoor de student begrijpt welke stappen er gezet kunnen worden om de uitvoering van de beroepstaak te verbeteren voor deze student. (KPM evaluatievragenlijst, bijlage 6)

Onderzoek deelvraag 4.

Geeft de uitkomst van de meting een valide waardering voor de student?

Onderzoekcontext 1, veldexperiment bij Schuurman.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders en studenten.

Onderzoeksmethode: de validiteit zal getoetst worden door analyse van uitkomsten en patronen door de stakeholders te laten onderschrijven. Hiervoor is een analyse formulier gemaakt met enkele kernvragen over de resultaten van de totale groep. Zie bijlage 4. De mate waarin de stakeholders dit doen is dan een maat voor de validiteit van de KPM methode (Smit & Verdonschot, 2010).

Onderzoek deelvraag 5.

Is de KP methode een betrouwbare meting?

Onderzoekcontext 2, focusgroep.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders en docenten.

De betrouwbaarheid van de KPM meting zal worden beoordeeld door een focusgroep onderzoek. Door verschillende praktijkopleiders drie identieke situaties te laten beoordelen geeft het aantal zelfde beoordelingen aan dat er sprake is van een grote mate van betrouwbaarheid. Zal de focusgroep echter verschillende beoordelingen geven aan identieke situaties dan is dat een maat die aangeeft dat de betrouwbaarheid niet zo hoog is.

Onderzoek deelvraag 6.

Geeft de uitkomst van de meting aanleiding tot concrete dialoog over het werk en de prestaties in het werk?

Onderzoek context 1, veldexperiment bij Schuurman.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders en studenten.

Onderzoeksmethode: door middel van observatie en een vragenlijst zal de onderzoeker tijdens het CGI gaan observeren hoe de dialoog zich ontspint tussen praktijkopleider en student. Het aantal concrete handvatten en suggesties zal worden geturfd en ook de relatie met de prestaties ten aanzien van het beroepsproduct zal genoteerd worden. Tenslotte wordt ook de mate van dialoog in kaart gebracht door de hoeveelheid wisselingen in woordvoering en lengte van woordvoering plus aantal vragen per woordvoering bij te houden waardoor de dialoog gekenmerkt wordt. De evaluatie vragenlijst (bijlage 6) zal nadien aan de praktijkopleider en student worden uitgereikt ter verificatie van de wat zij als waarde van de dialoog hebben ervaren.

Onderzoek deelvraag 7.

Hebben de student, praktijkopleider en docent een gelijk beeld over de leerdoelen naar aanleiding van de meetresultaten?

Onderzoekcontext 1, veldexperiment bij Schuurman.

Onderzoeksdoelgroep: praktijkopleiders, docent(en) en studenten

Onderzoeksmethode: Observatie en vragenlijst. De onderzoeker zal tijdens het CGI gaan observeren hoe de leerdoelen worden gedefinieerd naar aanleiding van het CGI, het aantal concrete handvatten en suggesties zal worden geturfd. De evaluatievragenlijst (bijlage 6) zal nadien aan de praktijkopleider en student worden uitgereikt ter verificatie van de wat zij als leerdoelen hebben herkend, genoteerd.


3 Onderzoeksinstrumenten en verantwoording


De volgende interventie uitkomsten worden inzichtelijk gemaakt

1 Student en POL hebben eenduidig inzicht in studievorderingen en de volgende stap in het leerproces

(feedback = wat is gedaan / geleerd)

Onderzoekinstrument: Gebruik van de KPM interventie en de tevredenheid hierover in de evaluatie. Verantwoording: De uitkomsten op de KPM interventies beschrijven wat al geleerd is in de evaluatie zal blijken of dit voor studenten en praktijkopleiders duidelijk genoeg is.


2 Interpretatie van meetresultaten is herleidbaar naar prestaties in het werk.

(feed-forward = duiding van wat nog geleerd moet worden)
Onderzoeksinstrument: KPM interventie en tevredenheid hierover in de evaluatie

Verantwoording: De uitkomsten op de KPM interventies beschrijven wat nog geleerd moet worden in de evaluatie zal blijken of dit voor studneten en praktijkopleiders duidelijk genoeg is.




3 Gebruikers passen het meetinstrument consequent toe.

(= is het meetinstrument betrouwbaar)

Onderzoeksinstrument: KPM interventie en tevredenheid hierover in de evaluatie

Verantwoording: Alle ingevulde KPM formulieren zijn relevant voor een antwoord op deze vraag. Zowel de focusgroep als de opleidingsgroep zal de uitkomsten van de meting evalueren met de vraag of de rubrics multi-interpretabel zijn/ Een overwegend negatief antwoord geeft aan dat rubrics eenduidig zijn en daarmee de validiteit goed kan zijn. De onderzoeker zal zelf de KPM formulieren beoordelen op zich herhalende juiste of onjuiste response. Daarnaast zal de onderzoeker observeren op welke manier de formulieren gehanteerd worden.


4 Mogelijke tegengestelde belangen worden door het combineren van resultaten een gezamenlijk belang (= is het meetinstrument valide)

Onderzoeksinstrument: KPM interventie en tevredenheid hierover in de evaluatie

Verantwoording: Er zullen een negental studenten meedoen aan dit onderzoek. De studenten zullen naderhand vragen voorgelegd krijgen of de KP aspecten ook relevant waren voor hun inspanning. Wanneer daar veelvuldig positief op geantwoord wordt zal dat een betrouwbare indicatie zijn voor de validiteit van de methode.


4 Onderzoeksgroep

Dit onderzoek wordt uitgevoerd in de detailhandel branche bij studenten die een niveau 4 specialisten opleiding volgen. Bijzonder aan deze groep is dat het studenten zijn van een bedrijfsgroep, dit betekent dat ze allen dezelfde werkgever hebben. In het cohort (2016-2017) is van toepassing dat deze studenten een keuzedeel volgen. In samenspraak met de opdrachtgever is dat het keuzedeel ondernemend gedrag geworden waarbij er een specifieke bedrijfsopdracht als onderdeel is opgenomen. Het generieke thema is financieel inzicht, de specifieke opdracht is het maken van een omzetprognose en een personeelsplanning. Deze bedrijfsopdracht wordt door de vakdocent in kwestie beschreven en de noodzakelijke theorie wordt er bij gezocht.

Noot: Het onderzoek richt zich op de keuzedeel opdracht van Schuurman, in bijlage 1 is de opdracht te vinden.

Selectie van de groep is pragmatisch tot stand gekomen. Het is de eerste bedrijfsgroep in het nieuwe cohort waarvoor geldt dat er een keuzedeel aangeboden moet worden. Het uitvoeren van dit keuzedeel bracht de vrijheid om te experimenteren met een nieuwe lesmethode en dus ook met een nieuw formatief meetinstrument.





5 Procedure(s)

De centrale onderzoeksvraag is:

Geeft een kennisproductiviteitmeting ingezet in de beroepspraktijkvorming een valide beeld van de performance van een student? En helpen de feedback en feed-forward opbrengsten, om de leervraag van de student te articuleren. De procedure van de interventie is de volgende:


Figuur 3 Procedure van de KPM interventie, onderzoeksdeel ε

De vervolgstap van het onderzoek is de evaluatie van de KPM meting en beoordeling. De procedure daarvoor is schematisch als in figuur 4. Allereerst wordt de KPM interventie uitgevoerd, met een product en proces evaluatie wordt onderzoeksdeel ω uitgevoerd.


Figuur 4 Procedure van evaluatie onderzoeksdeel ω



6 Data-analyse:

De gegevens voortkomend uit het onderzoek zal worden geanalyseerd in twee delen voortbordurend op de inrichting van het onderzoek in twee delen.

6.1 Interventie onderzoek (ε)

De data van de KPM meting zal worden vastgelegd op de daarvoor bestemde formulieren (bijlage 2). De stakeholders worden gevraagd om hun bevindingen handgeschreven te noteren. De originele verslaglegging zal als input voor het onderzoek worden genomen. De patronen en analyses die hieruit te destilleren zijn worden handmatig verwerkt. Dit is mogelijk omdat het aantal studenten overzichtelijk is. (n=9)

6.2 Evaluatieonderzoek (ω)

De kennisproductiviteitsmeting zal op een tweetal manieren data genereren. Enerzijds is er de evaluatie vragenlijst (bijlage 6). Deze is gemaakt met behulp van Google Forms. De uitkomsten zullen door Google worden verwerkt. De analyse hiervan, bijvoorbeeld de Cronbach Alpha, zal handmatig worden gedaan, indien echter de hoeveel data te groot zal blijken dan zal SPSS of XLS als hulpmiddel worden ingezet. Anderzijds zullen er observatie-aantekeningen zijn. Deze zijn niet vooraf gestructureerd omdat niet is te voorzien wat er besproken gaat worden en op welke manier het gesprek tot stand zal komen. Bovendien zal de onderzoeker als onderdeel van het CGI geen sturende werking kunnen geven om maar het formulier op gewenste stand in te vullen. (vermijden van self fulfilling prophecies).



7 Bijlagen

Bijlage 1: Leer- werkopdracht Schuurman

Bijlage 2: KPM meet- en beoordelingsinstrument

Bijlage 3: CGI leidraad Schuurman

Bijlage 4: Analyseformulier KPM resultaten

Bijlage 5: Leer werkopdrachten focusgroep onderzoek

Bijlage 6: Evaluatie KPM vragenlijst

Bijlage 7: Focusgroep onderzoek powerpoint


8 Bronnen

Figuur 1. Titel(s): Mens en machine.. 1

http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.33859

Figuur 2 Cronbachs Alpha. 2

http://data.library.virginia.edu/using-and-interpreting-cronbachs-alpha/

Figuur 3 Procedure van de KPM interventie, onderzoeksdeel ε. 2

Figuur 4 Procedure van onderzoeksdeel ω.. 2


9 Referenties References

Aken, J. E., & Andriessen, D. (2011). Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek: Wetenschap met effect Boom Lemma uitgevers.

Baarda, D., De Goede, M., & Teunissen, J. (2005). Basisboek kwalitatief onderzoek. handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek. Groningen: Wolters Noordhoff.

Smit, M., & Verdonschot, S. (2010). Praktijkonderzoek: Motor voor verandering in organisaties Springer Science & Business Media.

Stam, C. D. (2007). Knowledge productivity: Designing and testing a method to diagnose knowledge productivity and plan for enhancement. University of Twente.




[1] CGI: criterium gericht interview



This is the main content area

Cras justo odio, dapibus ac facilisis in, egestas eget quam. Fusce dapibus, tellus ac cursus commodo, tortor mauris condimentum nibh, ut fermentum massa justo sit amet risus.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Pellentesque at odio lobortis, ultricies ipsum sed, laoreet erat. Vivamus sagittis justo eget pulvinar tristique. Cras consectetur a neque eu facilisis. Suspendisse mattis ornare porta. Etiam eget imperdiet metus. Donec auctor elit vel tristique ultricies. Mauris sed iaculis quam, eu tristique nulla.

Nulla vestibulum orci venenatis, porttitor purus at, consequat metus. Curabitur ipsum purus, venenatis a imperdiet eu, elementum id nisi. Sed aliquam, magna a dictum accumsan, neque libero blandit nunc, eu vestibulum ipsum lorem eget felis. Cras sagittis et lacus at convallis. Etiam congue accumsan posuere.


Cras justo odio, dapibus ac facilisis in, egestas eget quam. Fusce dapibus, tellus ac cursus commodo, tortor mauris condimentum nibh, ut fermentum massa justo sit amet risus.

Doel en onderzoeksvraag

Doel is te onderzoeken of het leereffect bij studenten in de BPV periode kan worden versterkt door het gebruik van een alternatieve voortgangsmeting.

De onderzoeksvraag is: "Geeft een kennisproductiviteitmeting in de beroepspraktijkvorming een valide beeld van de performance van een student? Helpen de feedback en feed-forward opbrengsten om de leervraag van de student te articuleren?"


Het onderzoek naar de kennisproductiviteit in praktijkleren zal worden uitgevoerd in twee verschillende situaties. Onderzoekcontext 1: een veldonderzoek bij een bedrijfsopleidingsgroep in de detailhandel. Onderzoekcontext 2: focusgroep onderzoek met praktijkopleiders en docenten.